verteller
O.Park
De verhalen zijn verzameld en geschreven door Frits Slicht De verhalen over de Oosterbegraafplaats zijn gebaseerd op een aantal bronnen. Zo heb ik o.a. gebruik gemaakt van: Oosterpark - Amsterdam, Cultuurhistorische Verkenning en van Het archief van het Koloniaal Instituut met stukken betreffende de Oosterbegraafplaats.
Het graf op de Oosterbegraafplaats
Over bijzondere graven en de maten der graven.
-
Deze gemeentelijke verordening (alleen de eerste pagina) uit 1865 gaat over de prijzen van de verschillende graven op de algemene begraafplaatsen van Amsterdam.
Bron: Gemeentearchief Amsterdam, inventarisnr. 4010420.
Grafruimte voor uitsluitend gebruik!
In het verhaal Het in gebruik nemen van een graf op de Oosterbegraafplaats schreef ik over de diverse tarieven en de verschillende klassen. De drie hoogste klassen konden ook ‘een grafruimte voor uitsluitend gebruik’ verwerven, ‘voor zover daartoe gelegenheid is’. Waarschijnlijk bedoelen ze hier een familiegraf. Daar waren wel de nodige meerkosten aan verbonden (afhankelijk van de klasse: honderd, vijfenzeventig en veertig gulden). Deze zogenaamde grafsteden zijn op de Oosterbegraafplaats ingericht voor ‘begravingen twee diep’. Voor het maken van een grafkelder of voor het plaatsen van een monument moest altijd vergunning worden aangevraagd bij Burgemeester en Wethouders. Het onderhoud van grafzerken, monumenten en grafkelders was voor rekening van de rechthebbenden (de eigenaar van het graf).
Sluiting en behoud van rechten
Als in 1894 besloten wordt om de begraafplaats te sluiten voor het publiek behouden alleen de eigenaren van eigen grafruimten hun rechten. Voor hen is dan ook de nieuwe verordening van 1908 van toepassing. De rechten (de tarieven) die worden geheven, bleven gelijk aan die van 1865. Opgemerkt moet worden dat deze verordening geldend was voor alle algemene begraafplaatsen. Dat er met andere woorden nog steeds wordt gesproken over vierde en vijfde klasse slaat niet (meer) op de Oosterbegraafplaats. Opvallend genoeg worden er nog wel tarieven genoemd voor het verkrijgen van grafruimten ‘in uitsluitend gebruik’. Deze waren aanmerkelijk verhoogd, met ongeveer vijftig procent. Ook de maten van de grafruimte werden bepalend. Wil men een vierkante meer, boven de standaardruimte, dan moet er flink worden bijbetaald. De eerste klasse betaalt per vierkante meter meer: zeventig gulden. De tweede en derde klasse: vijfenvijftig en dertig gulden. Opvallend is, in vergelijking met de verordening uit 1865, dat de grafsteden waren ingericht voor ‘begravingen drie diep’. Werd besloten tot de aanschaf van een graf van steen of cement dan werden ‘begravingen tot vier diep’ toegestaan. Ook hier waren vanzelfsprekend meerkosten aan verbonden.
Gepubliceerd in
Reacties
Frits
Reacties